Meer informatie, bel 0162-68 26 09Home
Een Eendenkooi in Nationaal Park de Biesbosch.
Een waar monument!

Over de Eendenkooi

Eendenkooi de hofmansplaat!

Aan de rand van het Nationaal Park, net aan de overkant van de rivier de Amer, ligt een Eendenkooi. Deze wordt tegenwoordig niet meer gebruikt voor het vangen van eenden, maar de kooi wordt wel in ere gehouden. 

Eendenkooien
Een eendenkooi is een met bomen, struikgewas en rietmatten omgeven vijver of plas. Vanuit de hoekpunten gaan vier of vijf gebogen watergangen­, de zogenaamde vangpijpen of kelen. Deze vangpijpen worden naar het einde toe steeds nauwer en lopen trechtervormig toe. Ze zijn overkoe­peld met dun netwerk zodat een opvliegende eend niet meer kan ontsnappen. Heel vroeger werden ook wel zijtakken van killen als vangarm ingericht.­ 

Samen met zijn kooihond, die alleen maar reageert op commando’s die door middel van zijn hand gegeven worden, vormt de kooiker een hecht team. Op en rond een kooi was absolute stilte nodig. Daarom mocht, binnen een straal van 754 meter rond de kooi, niemand komen.

De vangtijd voor de kooiker viel echter samen met de periode waarin de rietsnijder zijn riet moest snijden. Dat gaf regelmatig onenigheid. Maar ook vissers en jagers die zich te dicht in de buurt van de kooi bevonden kregen een proces aan hun broek. Omdat de pachtopbrengst van de kooi afhankelijk was van de vangst, stond de Rentmeester van de Dienst der Domeinen, een machtig man, pal achter zijn pachters als het ging om procederen.

Volgens een boek uit 1654 werden op de kooien onder Werkendam binnen 13 dagen 17.000 eenden gevangen.

Binnen het Biesboschgebied, is vandaag de dag alleen de kooi van de Hofmansplaat, nog geheel in gebruik.

Het vangen van eenden
In de kooi zijn altijd een aantal tamme kooieenden en staleenden aanwezig. Als een groep wilde eenden overvliegt, wordt hun aandacht getrokken door de kooieenden. Ze strijken neer op de plas waar het voor de kooiker zaak is zich zo rustig mogelijk te houden.

De wilde eenden zullen bij het minste onraad opvliegen. Bovendien is het reukvermogen van de eend zo ontwikkeld, dat ze het gevaar sneller ruiken dan zien of horen. De kooiker loopt daarom altijd met de wind mee en probeert met brandende turf de menselijke geur te verdrijven.

De tamme eenden voelen zich in de kooiplas op hun gemak en nemen de wilde eenden zonder meer op in de groep. De kooiker loert door de kijkgaatjes in de rietschermen of er voldoende “bout” op het water is. Hij kiest de pijp die de eenden tegen de wind in zwemmend moeten bereiken. De eenden kunnen hem zo niet ruiken. Met wat graan lokt hij de staleenden de vangpijp in. Om eventuele weifelaars over te halen zet hij zijn hond in.

De hond heeft aan de handgebaren van zijn baas genoeg. Op een seintje vertoont hij zich even aan de waterkant van het rietscherm. Dat wekt de nieuwsgierigheid van de eenden op. Intussen loopt de kooiker, al voer strooiend, naar het einde van de vangpijp. De hond speelt het spel mee, door zich van tijd tot tijd te laten zien. Nieuwsgierig zwemmen de eenden achter het drentelende diertje aan.

Ook hij loopt in de richting van het uiteinde van de vangpijp, de eenden meelokkend naar het overdekte gedeelte. Nu laat de kooiker zich achter de eenden zien. Geschrokken zwemmen en vliegen de wilde eenden vooruit, verder de fuik in. Hij drijft de wilde eenden tot de uiterste punt en klapt een luik achter hen dicht. Een weg terug is er niet meer.